Handicap als fulltime baan

De koekjes liggen als aangespoelde zeehondenlijken in de mand: in hun gladde, donkerbruine plasticjes, alsof ze er net liggen en nog niet de kans hebben gehad om op te drogen.

Ik zit in een wachtkamer – nee, ik moet zeggen ‘wachtruimte’, want ik zit niet bij de tandarts of fysiotherapeut, maar bij mijn autoaanpasbedrijf. Lang heb ik het uitgesteld, wel een maand of drie. Tot ik vorige week opeens op de snelweg reed en mijn ruitenwissers niet meer kon bedienen terwijl de regen met bakken uit de lucht viel. Toen wist ik dat ik het niet langer mocht uitstellen: het werd tijd op mijn baan als gehandicapte weer eens op te pakken.

Overal waar klanten zijn, staat klantvriendelijkheid hoog in het vaandel. Zo kun je je afspraak bij de kapper tegenwoordig online plannen en kun je zelfs doorgeven door wie je geknipt wil worden. Online bestelde kleding die niet bevalt, stuur je in een antwoordenvelop terug. Er bestaan zelfs bakfietsbakkers die je brood ’s ochtends aan de voordeurklink hangen.

Zo werkt het in de gehandicaptenbusiness niet.

Wil je een reparatie laten uitvoeren aan bijvoorbeeld je douchebrancard, dan moet je de WMO-telefoonlijn bellen. Je krijgt dan een telefonist aan de lijn die je klacht uitgebreid met je doorspreekt, maar dan blijkt deze persoon helemaal geen zeggenschap te hebben over de reparatie: hij geeft de klacht door aan degene die over de besluitvorming gaat. Als je geluk hebt, belt die persoon je binnen vijf werkdagen terug. Opnieuw leg je uit wat er aan de hand is. In het gunstigste geval krijg je een goedkeuring voor de reparatie.

Maar dan ben je er nog niet: je moet een afspraak plannen met het aanpasbedrijf. ‘Vrijdag tussen twaalf en vijf komt er iemand,’ wordt je dan door de planner medegedeeld. Dat je misschien wel iets beters te doen hebt dan het wachten op een reparatie van je douchebrancard, komt kennelijk niet in hem op.

Soms gaat het sneller en staat er onaangekondigd een monteur aan je deur.

‘Ik ben op zoek naar mevrouw Van Schendel.’

‘Die is er niet.’

‘Zeker op de dagbesteding?’

Ik neem geen vrij van mijn werk voor reparaties aan mijn douchebrancard of voor autoaanpassingen. Zo zit ik nu, in mijn herfstvakantie, zo’n zes uur lang in een wachtruimte in Den Bosch om te zorgen dat ik mijn ruitenwissers kan aanzetten als het regent. Zes uur waarin ik naar een museum had kunnen gaan, of met de kinderen door het bos had kunnen struinen.

Ik neem nog maar een koekje.

 


Huiswerkoverhoring

Al drie keer heb ik het lief gevraagd, en nu is de maat vol: achterin de klas zit een groepje eersteklassers de héle tijd door me heen te praten. Heel serieus en ook streng spreek ik hen toe. Dat ik mijn werk zo niet kan doen. Dat het me irriteert. Dat het klaar is. Nu. Braaf knikken ze. Ik zet de klas aan het werk.

Dan komt er een leerling naar me toe die iets niet snapt. Ik heb mijn blik nog niet in haar schrift geworpen, of ik hoor hard gelach op de achterste rij. Ik kan mijn aandacht niet bij de leerling en haar opengeslagen schrift houden en zet haar ‘in de wacht’ om het groepje achterin de klas toe te spreken. Mijn stem is hard en scherp, maar het lijkt niet binnen te komen; de leerlingen lachen er vrolijk om. En dan floept het zomaar uit mijn mond: ‘Donderdag huiswerkoverhoring. Wie het niet af heeft, krijgt een 1.’

Nog nooit in mijn carrière heb ik een huiswerkoverhoring gegeven. Sterker nog: ik geef (bijna) nooit huiswerk meer op – leerlingen moeten op school werken en thuis lekker voetballen. Ofzo.

Als de klas donderdag binnenkomt, pluk ik de onrustzaaiers eruit en zet ik hen vooraan, aan mijn bureau.
‘Waarom dát nou weer?!’
‘Omdat jullie de les verstoorden.’

Ik start de les:
‘Lieve kinderen. Ik ga géén huiswerkoverhoring geven. Het was een stom dreigement. Een daad van wanhoop, omdat vijf leerlingen niet deden wat ik wilde. Deze leerlingen,’ ik knik ze toe, ‘zitten nu vooraan. Jullie gaan de les niet meer verstoren, want de rest van deze klas wil wél werken. Wij gaan daar met z’n allen voor zorgen.’

Het is even stil. Dan zegt Jochem, één van de vijf: ‘Het werkte anders wel, mevrouw, want ik heb mijn huiswerk gemaakt.’ Hij klinkt teleurgesteld.
Ik lach hem vriendelijk toe. ‘Als je wilt, wil ik jou best elke les een huiswerkoverhoring geven, hoor.’
Verschrikt schudt hij zijn hoofd.

De les verloopt uitstekend: iedereen is aan de slag – ook de leerlingen die ik vooraan heb gezet. Als de bel gaat, geef ik hun een compliment: ‘Goed gewerkt, jongens.’

Als ze de volgende les weer mijn lokaal binnenkomen, kiezen ze, helemaal uit zichzelf, een plaats vooraan. Ze zijn de hele les betrokken en doen goed mee. Dat is fijn de vakantie ingaan, veel fijner dan met een huiswerkoverhoring. Voor de leerlingen, maar ook voor de juf.


Bloedneus

De eerste drie, vier weken van het schooljaar zijn retespannend voor eersteklassers: de onderlinge verhoudingen worden bepaald. Wie is het slimst? Wie het grappigst? Wie durft door de juf heen te praten? Een groep van dertig twaalfjarigen kan dan ineens voelen als een groep van zestig.

Vorige week keerde het tij in mijn ‘drukke’ klas: een heel lesuur lang werkten mijn anders volop entertainende pubers, als makke lammetjes aan hun schrijfopdracht. Toen de bel ging, complimenteerde ik hen en praatte ik nog wat na met een leerling. In mijn ooghoek zag ik een groepje jongens vertrekken. Op de gang stonden wat meisjes samengeklonterd. Ze waren opgewonden met elkaar in gesprek – niets opvallends.

Toen ik de leerling gedag zei en haar een goed weekend toewenste, kwam Anne naar me toegesneld. Ze was klassenvertegenwoordiger, zei ze, en moest me iets vertellen: Lynn had Jochem net een bloedneus geslagen.

Zo was het gegaan: Jochem had de hele tijd aan Lynns spullen gezeten en nadat ze een paar keer had gezegd dat hij daarmee moest stoppen, waarschuwde ze hem: ‘Als je het nog één keer doet, sla ik je.’ Hij stopte niet en Lynn voegde de daad bij het woord, met als resultaat een bloedende Jochem-neus.
‘Ik vond wel dat u dit moest weten,’ besloot ze haar verhaal.
‘Is dit in mijn les gebeurd?!’
Anne knikte. ‘In het lokaal, ja. Na de bel.’

Ik reed naar de gang, waar ik Lynn te midden van een groep bewonderende meisjes trof.
‘Hoe gaat het met je?’ vroeg ik haar.
‘Ja, met mij gaat het wel, maar Jochem… hij bloedt enzo.’

Ik vroeg haar hoe het had kunnen gebeuren.
‘Hij ging maar door, en door, enneh… ik kan er gewoon écht niet tegen als mensen aan mijn spullen zitten. En toen ineens…’
‘Slaan is misschien niet de netste manier om je problemen op te lossen.’
‘Ik weet het. En ik vind het ook écht héél erg.’
‘Misschien moet je Jochem even bellen straks, om hem dat te vertellen,’ opperde ik. Dat was Lynn sowieso al van plan.

Na het weekend zaten Lynn en Jochem weer gezellig bij elkaar. En Jochem? Die houdt zijn handjes voortaan bij zijn eigen spullen.